3.8
onregelmatige werkwoorden backen bakken, bakte, bakten, gebakken onregelmatige werkwoorden anfangen beginnen, begon, begonnen, begonnen onregelmatige werkwoorden beschließen besluiten, besloot, besloten, besloten onregelmatige werkwoorden beißen bijten, beet, beten, gebeten onregelmatige werkwoorden bleiben blijven, bleef, bleven, gebleven onregelmatige werkwoorden bringen brengen, bracht, brachten, gebracht onregelmatige werkwoorden tun doen, deed, deden, gedaan onregelmatige werkwoorden tragen dragen, droeg, droegen, gedragen onregelmatige werkwoorden trinken drinken, dronk, dronken, gedronken onregelmatige werkwoorden essen eten, at aten, gegeten onregelmatige werkwoorden gehen gaan, ging, gingen, gegaan onregelmatige werkwoorden geben geven, gaf, gaven, gegeven onregelmatige werkwoorden hängen hangen, hing, hingen, gehangen onregelmatige werkwoorden haben hebben, had, hadden, gehad onregelmatige werkwoorden helfen helpen, hielp, hielpen, geholpen onregelmatige werkwoorden heißen heten, heette, heetten, geheten onregelmatige werkwoorden lieben, mögen houden,hield, hielden, gehouden onregelmatige werkwoorden schauen kijken, keek, keken, gekeken onregelmatige werkwoorden kommen komen, kwam, kwamen, gekomen onregelmatige werkwoorden kaufen kopen, kocht, kochten, gekocht onregelmatige werkwoorden bekommen krijgen, kreeg, kregen, gekregen onregelmatige werkwoorden können kunnen, kon, konden, gekund onregelmatige werkwoorden lassen laten, liet, lieten, gelaten onregelmatige werkwoorden lesen lezen, las, lazen, gelezen onregelmatige werkwoorden liegen liggen, lag, lagen, gelegen onregelmatige werkwoorden laufen lopen, liep, liepen, gelopen onregelmatige werkwoorden melken melken, molk, molken, gemolken onregelmatige werkwoorden müssen moeten, moest, moesten, gemoeten onregelmatige werkwoorden dürfen mogen,mocht, mochten, gemogen onregelmatige werkwoorden fahren (auf der Straße) rijden, reed, reden, gereden onregelmatige werkwoorden rufen roepen, riep, riepen, geroepen onregelmatige werkwoorden schreiben schrijven, schreef, schreven, geschreven onregelmatige werkwoorden schlafen slapen, sliep, sliepen, geslapen onregelmatige werkwoorden sprechen spreken, sprak, spraken, gesproken onregelmatige werkwoorden stehen staan, stond, stonden, gestaan onregelmatige werkwoorden ziehen trekken, trok, trokken, getrokken onregelmatige werkwoorden fallen vallen, viel, vielen, gevallen onregelmatige werkwoorden fangen vangen, ving, vingen, gevangen onregelmatige werkwoorden fahren (auf dem Wasser) varen, voer, voeren, gevaren onregelmatige werkwoorden finden vinden, vond, vonden, gevonden onregelmatige werkwoorden fliegen vliegen, vloog, vlogen, gevlogen onregelmatige werkwoorden fragen vragen, vroeg, vroegen, gevraagd onregelmatige werkwoorden waschen wassen, waste, wasten, gewassen onregelmatige werkwoorden wissen weten, wist, wisten, geweten onregelmatige werkwoorden weisen wijzen, wees, wezen, gewezen onregelmatige werkwoorden wollen willen, wilde (wou), wilden (wouden), gewild onregelmatige werkwoorden sagen zeggen, zei, zeiden,gezegd onregelmatige werkwoorden sehen zien, zag, zagen, gezien onregelmatige werkwoorden sein zijn, was, waren, geweest onregelmatige werkwoorden sitzen zitten, zat, zaten, gezeten onregelmatige werkwoorden suchen zoeken, zocht, zochten, gezocht onregelmatige werkwoorden werden zullen, zou, zouden, / onregelmatige werkwoorden schwimmen zwemmen, zwom, zwommen, gezwommen onregelmatige werkwoorden werden (nicht zukunftsweisend) worden, werd, werden, geworden onregelmatige werkwoorden vergessen vergeten, vergat, vergaten, vergeten