Les13
der Student
de student
Les13
der Tourist
de toerist
Les13
der Zug
de trein
Les13
der Koffer
de koffer
Les13
das Kino
de bioscoop
Les13
die Prüfung
het examen
Les13
die Wirtschaft
het café
Les13
das Flugzeug
het vliegtuig
Les13
der Arbeiter
de arbeider
Les13
mauern
metselen
Les13
landen
landen
Les13
sonnen
zonnen
Les13
jäten
wieden
Les13
wiederholen, nachschauen
herzien
Les13
auspacken
uitpakken
Les13
pensionieren
pensioneren
Les13
besprühen
besproeien
Les13
drankommen
aan de beurt komen
Les13
wohl
wel
Les13
zufrieden
tevreden
Les13
der Western
de western
Les13
das Fernsehen
de televisie
Les13
der Bau
de bouw
Les1
die Klasse
de klas
Les1
der Tisch
de tafel
Les1
der Stuhl
de stoel
Les1
die Bank
de bank
Les1
die Tür
de deur
Les1
die Federmappe
de koker
Les1
der Füller
de vulpen
Les1
der Kugelschreiber
de balpen
Les1
der Lehrer
de leraar
Les1
die Lehrerin
de lerares
Les1
der Schüler
de leerling
Les1
der Junge
de jongen
Les1
die Schultasche
de boekentas
Les1
der Radiergummi
de gom
Les1
die Tafel
het bord
Les1
das Fenster
het raam
Les1
das Buch
het boek
Les1
das Heft
het schrift
Les1
der Bleistift
het potlood
Les1
der Farbstift
het kleurpotlood
Les1
das Mädchen
het meisje
Les1
und
en
Les1
oder
of
Les1
auch
ook
Les1
ein, eine
een
Les1
dieser, diese, dieses
dit
nur für HET-Wörter im Sg. (nah)
Les1
jene, jener, jenes
dat
nur für HET-Wörter im Sg. (fern)
Les1
diese, dieser, dieses
deze
nur für DE-Wörter (nah) oder Mehrzahl
Les1
jene, jener, jenes
die
nur für DE-Wörter (fern) oder Mehrzahl
Les1
jede, (-r), (-s)
iedere
vor einem HET-Wort ohne -e
Les1
was?
wat?
Les1
wer?
wie?
Les1
wie viel?
hoeveel?
Les1
in
in
Les1
auf
op
Les1
sein
zijn
ik ben, je bent (ben je?), hij/ze is, we zijn, jullie zijn, ze zijn, u bent
Les1
haben
hebben
ik heb, je hebt (heb je?), hij/ze heeft, we hebben, jullie hebben, ze hebben, u hebt
Les1
früh
vroeg
Les1
spät
laat
Les1
erst
eerst
Les1
nun, jetzt
nu
Les1
danach
daarna
Les1
Herr
meneer
Les1
Frau
mevrouw
Les1
Fräulein
juffrouw
Les1
... Uhr
... uur
Les1
ja
ja
Les1
nein
neen
Les1
Recht haben
gelijk hebben
Les1
ein bisschen
een beetje
Les1
Deutsch
Duits
Sprachen schreibt man im Niederl. gross.
Les1
Niederländisch
Nederlands
Les1
Französisch
Frans
Les1
Englisch
Engels
Les1
guten Tag
goeie dag
Les1
bis gleich, bis später
tot straks
Les1
auf Wiedersehen
tot ziens
Les1
eins
één
Les1
zwei
twee
Les1
drei
drie
Les1
vier
vier
Les1
fünf
vijf
Les1
sechs
zes
Les1
sieben
zeven
Les1
acht
acht
Les1
neun
negen
Les1
zehn
tien
Les 2
die Schule
de school
Les 2
der Nachbar
de buur(man)
Les 2
die Nachbarin
de buurvrouw
Les 2
die Wand
de wand
Les 2
das Fahrrad
de fiets
! Artikel = de
Les 2
das Moped
de bromfiets
Les 2
andere
andere
Les 2
der Bus
de bus
Les 2
das Auto
de auto
! Artikel = de
Les 2
der Fuß
de voet
zu Fuss : te voet
Les 2
sitzen
zitten
Les 2
tun
doen
Les 2
schreiben
schrijven
Les 2
rechnen
rekenen
Les 2
zuhören
luisteren naar
Les 2
unterrichten
onderwijzen
Les 2
hängen
hangen
Les 2
liegen
liggen
Les 2
lesen
lezen
Les 2
schauen
kijken
Les 2
träumen
dromen
Les 2
sprechen
spreken
praten (erzählen)
Les 2
stehen
staan
Les 2
fahren (auf der Straße)
rijden
Les 2
kommen
komen
im Sg. ist das -o kurz, im Pl. ist das -o lang
Les 2
nach
naar
Les 2
durch
door
Les 2
mit
met
Les 2
bei
bij
Les 2
an
aan
Les 2
von
van
Les 2
per, mit
per
mit dem Bus : per bus
Les 2
zu...
te
zu Fuß : te voet; zu viel : te veel
Les 2
nicht
niet
Les 2
kein, keine, keiner
geen (unveränderlich)
Les 2
alle
alle
alle (Leute) = allen
Les 2
viel
veel
Les 2
aber, sondern
maar
Les 2
noch
nog
Les 2
wie?
hoe?
Les 2
wo?
waar?
Les 2
wohin?
waar naartoe?
waarheen?
Les 2
schon
reeds
al
Les 2
die Mutter
de moeder
Les 2
hier
hier
Les 2
vor, für
voor
Les 2
die Sprache
de taal
Les 2
immer
altijd
Les 2
nie
nooit
Les 2
gut
goed
Les 2
schlecht
slecht
Les 2
die Note
het cijfer
Les 2
nur, allein
alleen
Les 2
Mathematik
wiskunde
Les 2
klappen
kloppen
lukken
Les 2
wohl
wel
Les 2
hoffen
hopen
Les 2
bevor
voordat
Les 2
die Hausaufgaben
het huiswerk
bleibt im Niederl. im Singular
Les 2
machen
maken
Les 2
schnell
vlug
snel
Les 2
langsam
langzaam
Les 2
einige
enkele
sommige
einige (Leute) = sommigen
Les 2
Einkäufe machen
boodschappen doen
Les 2
fein
fijn
Les 2
dann
dan
Les 2
schwimmen
zwemmen
Les 2
müssen
moeten
Les 2
gehen
gaan
Les 2
zu, zum, zur
naar
Les 2
der Bäcker
de bakker
Les 2
der Metzger
de slager
Les 2
um
om
Les 2
wieder
weer
Les 2
in Ordnung
in orde
Les 2
zu Hause
thuis
Les3
das Haus
het huis
Les3
das Erdgeschoss
de benedenverdieping
Les3
der Heizungskeller
de verwarmingskelder
Les3
die Lebensmittel
de levensmiddelen
Les3
der Abstellraum
de bergruimte
de berging
Les3
das Stockwerk, die Etage
de verdieping
Les3
das Schlafzimmer
de slaapkamer
Les3
das Arbeitszimmer
de werkkamer
Les3
das Badezimmer
de badkamer
Les3
der Gemüsegarten
de moestuin
Les3
das Gemüse
de groenten
Les3
die Garage
de garage
Les3
der Strauch
de struik
Les3
der Keller
de kelder
Les3
der Speicher
de zolder
Les3
das Zimmer
de kamer
Les3
der Salon
de salon
Les3
die Küche
de keuken
Les3
der Garten
de tuin
Les3
die Blume
de bloem
Les3
der Baum
de boom
Les3
die Toilette
de W.C.
Les3
der/das Teil
het deel
Les3
der Rasen
het gazon
Les3
unterschiedlich, verschieden
verschillend
Les3
groß
groot
Les3
klein
klein
Les3
geräumig
ruim
Les3
eng
nauw
Les3
schön
mooi
Les3
hässlich
lelijk
Les3
weiß
wit
Les3
schwarz
zwart
Les3
gelb
geel
Les3
rot
rood
Les3
lila
paars
Les3
blau
blauw
Les3
orange
oranje
Les3
grün
groen
Les3
braun
bruin
Les3
sehr
heel
Adverb=unveränderlich, z.B. Hij is een heel grote jongen
Les3
ganz
heel
Adjektiv=veränderlich, z.B. de hele familie
Les3
aus
uit
Les3
sehen
zien
Les3
bestehen
bestaan
Les3
aufbewahren
bewaren
Les3
dienen
dienen
Les3
wozu?
waartoe?
Les3
gut - besser - am besten
goed - beter - het best
Les3
das Bett
het bed
Les3
oben
boven
Les3
unten
beneden
Les3
wohl
wel
Les3
angenehm
aangenaam
Les3
unangenehm
onaangenaam
Les3
der Tag
de dag
de dag hat im Pl. ein langes -a (de dagen)
Les3
werden (nicht zukunftsweisend)
worden
Les3
wie (Vergleich)
als
z.B. Ik word bediend als een koning.
Les3
bedienen
bedienen
Les3
der König
de koning
Les3
die Königin
de koningin
Les3
die Karte
de kaart
Les3
karten
kaart spelen
Les3
wollen
willen
Les3
die Zeit
de tijd
Les3
genug
genoeg
Les3
so
zo
Les4
der Tag
de dag (Sg.: kurzes -a) - de dagen (Pl. : langes -a)
die Wochentage schreibt man klein
Les4
Montag
maandag
Les4
Dienstag
dinsdag
Les4
Mittwoch
woensdag
Les4
Donnerstag
donderdag
Les4
Freitag
vrijdag
Les4
Samstag
zaterdag
Les4
Sonntag
zondag
Les4
die Woche
de week
Les4
der Monat
de maand
Monate schreibt man klein
Les4
Januar
januari
Les4
Februar
februari
Les4
März
maart
Les4
April
april
Les4
Mai
mei
Les4
Juni
juni
Les4
Juli
juli
Les4
August
augustus
Les4
September
september
Les4
Oktober
oktober
Les4
November
november
Les4
Dezember
december
Les4
das Jahr
het jaar
Les4
das Schaltjahr
het schrikkeljaar
Les4
die Plagerei, die Schufterei
de plagerij
Les4
die Ferien
de vakantie
im Niederl. ist dieses Wort Sg., z.B. de vakantie IS te kort
Les4
die Kirche
de kerk
Les4
die Weihnachtsferien
de kerstvakantie
Les4
die Osterferien
de paasvakantie
Les4
der Schnee
de sneeuw
Les4
die Chance
de kans
Les4
die Sache
de zaak
Les4
der Freund
de vriend
Les4
die Freundin
de vriendin
Les4
die Klingel
de bel
Les4
die Misere, das Elend
de misere
Les4
die Sorge
de zorg
Les4
das Zeugnis
het schoolrapport
Les4
das Glückskind
het gelukskind
Les4
das Ziel
het doel
Les4
in Urlaub fahren
met vakantie gaan
Les4
beginnen, anfangen
beginnen
Les4
werden (Hilfsverb der Zukunft)
zullen
Les4
bekommen
krijgen
Les4
nennen
noemen
Les4
geben
geven
Les4
Ski fahren
skiën
Les4
bezahlen
betalen
Les4
reisen
reizen
Les4
lassen
laten
Les4
vorbei-, vorübergehen
voorbijgaan
Les4
erreichen
bereiken
Les4
blocken (ugs.)
blokken
Les4
studieren
studeren
Les4
gönnen
gunnen
Les4
anfassen
aanpakken
Les4
schlimm
erg
Les4
echt
echt
Les4
sicher
zeker
Les4
gern
graag
Les4
heute
vandaag
Les4
doch
toch
Les4
während
gedurende
Les4
sonst
anders
Les4
vor allem
vooral
Les4
wenn
als
Les4
denn
want
danach bleibt das konj. Verb an 2. Stelle, z.B. ik ga niet naar huis, want ik werk nog
Les4
weil
omdat
danach wird das konj. Verb nach hinten geschoben, z.B. ik ga niet naar huis, omat ik nog werk
Les4
Pfingsten
Pinksteren
Les4
Christi Himmelfahrt
Hemelvaartsdag
Les4
Allerheiligen
Allerheiligen
Les4
Allerseelen
Allerzielen
Les4
Weihnachten
Kerstmis
Les4
Karneval
carnaval
Les4
Ostern
Pasen
Les4
das Fest
het feest
Les4
der Festtag
de feestdag
Les4
die Schweiz
Zwitserland
Länder schreibt man gross.
Les4
England
Engeland
Länder schreibt man gross.
Les4
kurz
kort
Les4
lang
lang
Les4
frei
vrij
Les4
los geht's!
vooruit maar!
Les4
hoffentlich
het is te hopen, dat...
hopelijk
Les4
die Frage
de vraag
Les4
stellen
stellen
Les4
fragen
vragen
Les4
antworten
antwoorden
Les4
die Farbe
de kleur
Les4
das Gegenteil
het tegendeel
Les4
der Unterschied
het verschil
Les4
der Gegenstand
het voorwerp
Les4
das Wort
het woord
Les4
der Satz
de zin
Les4
das Büro
het kantoor
Les4
das Blatt (Papier)
het blad - de bladen
Les4
das Blatt (vom Baum)
het blad - de bladeren
Les4
dauern
duren
Les4
vervollständigen
voltooien
Les4
ersetzen
vervangen
Les4
arbeiten
werken
Les4
zeigen
tonen
Les4
richtig
juist
Les4
falsch
fout, vals
Les4
wann?
wanneer?
Les4
welche, welcher, welches?
welke?
vor einem HET-Wort fällt das -e weg, z.B. Welk huis heeft een gele deur?
Les5
die (Groß-)familie
de familie
Les5
die Familie
het gezin
Les5
die Anzeige
de advertentie
Les5
der Bauernhof
de boerderij
Les5
die Zeitung
de krant
Les5
die Eltern
de ouders
Les5
der Vater
de vader
Les5
die Mutter
de moeder
Les5
der Bruder
de broer
Les5
die Schwester
de zus
zuster = Nonne
Les5
die Geschwister
de broers en zussen
Les5
das Kind
het kind
Pl. : de kinderen
Les5
die Großeltern
de grootouders
Les5
der Onkel
de oom
Les5
die Tante
de tante
Les5
die Kusine, die Nichte
de nicht
Les5
der Vetter, der Neffe
de neef
Les5
die Kuh
de koe
unregelm. Pl. : de koeien
Les5
das Kalb
het kalf
Pl. : de kalveren
Les5
das Rind
het rund
Pl. : de runderen
Les5
der Gruß
de groet
Les5
der Landwirt
de boer
Les5
der Brief
de brief
Les5
suchen
zoeken
Les5
setzen, stellen
plaatsen
Les5
erhalten
ontvangen
Les5
verbleiben
verblijven
Les5
besitzen
bezitten
Les5
hören
horen
Les5
heißen
heten
Les5
wohnen
wonen
Les5
lernen
leren
Les5
helfen
helpen
Les5
neu
nieuw
Les5
alt
oud
Les5
jung
jong
Les5
sprechend
sprekend
Les5
herzlich
hartelijk
Les5
ziemlich
tamelijk
Les5
in Kürze
binnenkort
Les5
eines Tages
op een dag
Les5
manchmal
soms
Les5
schon
al
reeds
Les5
die Neuigkeit(en)
het nieuws
bleibt im Niederl. im Singular, z.B. het nieuws is heel goed
Les6
das Handtuch
de handdoek
! Artikel de
Les6
die Hose
de broek
Les6
die Unterhose
de onderbroek
Les6
der Pullover
de pullover
de pul, de trui
Les6
die Bushaltestelle
de bushalte
Les6
der Pyjama
de pyjama
Les6
der Unterricht, das Kapitel
de les
Les6
die Socke
de sok
Les6
der Zahn
de tand
Les6
die Seife
de zeep
Les6
der Wecker
de wekker
Les6
der Körper
het lichaam
Les6
der Oberkörper
het bovenlichaam
Les6
das Waschbecken
het wasbekken
Les6
das Hemd
het hemd
Les6
das Unterhemd
het onderhemd
Les6
der Schuh
de schoen
Les6
der Stiefel
de laars
Ausnahme : de laarZen
Les6
das Kleid
de jurk
de japon
Les6
der Rock
de rok
Les6
der Mantel
de mantel
Les6
die Bluse
de bloes
de blouse
Les6
die Jacke
de jas
Les6
die Stunde
het uur
Les6
das Viertel, die Viertelstunde
het kwartier
Les6
der Morgen
de morgen
Les6
der Mittag
de middag
Les6
der Nachmittag
de namiddag
Les6
der Abend
de avond
Les6
die Nacht
de nacht
Les6
morgens
's morgens
das Apostroph steht vor dem -s! Am Anfang des Satzes bleibt dieses -s klein!
Les6
mittags
's middags
Les6
nachmittags
's namiddags
Les6
abends
's avonds
Les6
nachts
's nachts
Les6
aufstehen
opstaan
setzt man "het" voor ein Verb, entsteht ein Subst. (genau wie im Deutschen)
Les6
rasseln, schellen (Wecker)
aflopen
Les6
dürfen
mogen
Les6
können
kunnen
Les6
anziehen (etwas)
aantrekken
z.B. Ik trek mijn schoenen aan.
Les6
ausziehen (etwas)
uittrekken
z.B. Hij trekt zijn pul uit.
Les6
(sich) anziehen
(zich) aankleden
Les6
(sich) ausziehen
(zich) uitkleden
Les6
ab-, los-, wegfahren
vertrekken
Les6
frühstücken
ontbijten
Les6
putzen
poetsen
Les6
abtrocknen
afdrogen
Les6
sich duschen
douchen
ohne Pronomen!
Les6
waschen
wassen
Les6
leise
zacht
Les6
laut
luid
Les6
kalt
koud
Les6
warm
warm
Les6
wach
wakker
Les6
endlich
eindelijk
Les6
plötzlich
plots
Les6
einmal
eens
Les6
etwas (im Sinne von "ein bisschen")
wat
een beetje
Les6
etwas
iets
Les6
halb (z.B. drei)
half (b.v. drie)
Les6
viertel (z.B. vor elf)
kwart (b.v. voor elf)
Les7
der Fluss
de rivier
Les7
der Ausflug
de tocht
Les7
der Markt
de markt
Les7
das Boot
de boot
Les7
der Kanal
de gracht
Les7
die Wohnung
de woning
Les7
die Tradition
de traditie
Les7
der Käse
de kaas
Les7
die Sehenswürdigkeit
de bezienswaardigheid
Wörter mit der Endung -heid bilden ihren Plural auf -heden
Les7
der Fischer
de visser
Les7
die Stadt
de stad
Plural : de steden
Les7
der Mensch
de mens
Les7
die Kleidung
de kleren
bleibt im Niederl. im Pl.
Les7
die Welt
de wereld
Les7
der Spaziergang
de wandeling
Les7
der Haushalt
de huishouding
Les7
der Bahnhof
het station
Les7
das Museum
het museum
Wörter mit der Endung -um bilden ihren Pl. auf -a
Les7
das Gespräch
het gesprek
Les7
der Norden
het noorden
Les7
der Süden
het zuiden
Les7
der Westen
het westen
Les7
der Osten
het oosten
Les7
das Zentrum
het centrum
Wörter mit der Endung -um bilden ihren Pl. auf -a
Les7
das Dorf
het dorp
Les7
laufen, fließen
lopen
Les7
fegen, kehren
vegen
Les7
kochen
koken
Les7
fahren (auf dem Wasser)
varen
Les7
kennen
kennen
Les7
bleiben
blijven
Les7
tragen
dragen
Les7
das Bett machen
het bed opmaken
Les7
abwaschen, spülen
afwassen
Les7
besuchen
bezoeken
Les7
spazieren
wandelen
Les7
sich langweilen
zich vervelen
Les7
einkaufen
winkelen
Les7
treffen
ontmoeten
Les7
interessieren
interesseren
Les7
oft
dikwijls
Les7
selten
zelden
Les7
alles
alles
Les7
nichts
niets
Les7
traditionell
traditioneel
Les7
modern
modern
Les7
malerisch
schilderachtig
Les7
meistens
meestal
Les7
gerade
pas
Les7
einfach, gemütlich
gemakkelijk
Les7
schwierig
moeilijk
Les7
der Vogel
de vogel
Les7
die Wolke
de wolk
Les7
die Ente
de eend
Les7
der Stamm
de stam
Les7
der Zaun
de omheining
Les7
der Ball
de bal
Les7
der Fisch
de vis
Les7
der Hut
de hoed
Les7
der Kopf
het hoofd
Les7
das Gesicht
het gezicht
Les7
der See, der Teich
het meer
Les7
das Meer
de zee
Les7
fliegen
vliegen
Les7
sagen
zeggen
Les7
rufen
roepen
Les7
erzählen
vertellen
Les8
die Gegend
de streek
Les8
die Kunst
de kunst
Les8
die Zivilisation
de beschaving
Les8
die Geschichte
de geschiedenis
Les8
die Reise
de reis
Les8
das klassische Altertum
de klassieke oudheid
Les8
das Land
het land
Les8
die Vergangenheit
het verleden
Les8
die Landschaft
het landschap
Les8
der Strand
het strand
Les8
der eine - der andere
de ene - de andere
Les8
darstellen
vertegenwoordigen
Les8
mögen, lieben
houden van
Les8
finden
vinden
Les8
entspannen
ontspannen
Les8
probieren, versuchen
proberen
Les8
wünschen
wensen
Les8
reden, sprechen
praten
spreken
Les8
interessant
interessant
Les8
reich
rijk
Les8
arm
arm
Les8
faul
lui
Les8
fleißig
ijverig
Les8
müde
moe
Les8
weit
ver
Les8
nah
na
Les8
zum Beispiel
bijvoorbeeld (b.v.)
Les8
Spanien
Spanje
Länder schreibt man groß.
Les8
Griechenland
Griekenland
Länder schreibt man groß.
Les8
Italien
Italië
Länder schreibt man groß.
Les8
auf Wiedersehen
tot ziens
Les8
bis jetzt
tot nu toe
Les8
so wie
zoals
Les9
die Tasse
de kop
Les9
die Gabel
de vork
Les9
die Dose
de doos
Les9
das Butterbrot
de boterham
Les9
die Schnitte
de snede
Les9
der Kaffee
de koffie
Les9
die Scheibe
de schijf
Les9
der Löffel
de lepel
Les9
das Brett
de plank
Les9
die Butter
de boter
Les9
der Zucker
de suiker
Les9
die Milch
de melk
Les9
die Marmelade
de jam
Les9
der Topf
de pot
Les9
die Kanne
de kan
Les9
die Wurst
de worst
Les9
die Schale (im Sinne von Schüssel)
de schaal
Les9
das Ei
het ei
Les9
der Speck
het spek
Les9
der Teller
het bord
Les9
das Messer
het mes
Les9
die Mitte
het midden
Les9
das Brot
het brood
Les9
hineinkommen, -gehen, -laufen
binnenkomen, binnengaan, binnenlopen
= trennbar und wird ohne Präp. gebraucht, z.B. Hij komt de salon BINNEN.
Les9
decken
dekken
Les9
braten, backen
bakken
Les9
vorbereiten
klaarmaken
Les9
trinken
drinken
Les9
schmieren
smeren
Les9
essen
eten
Les9
gebraten, gebacken
gebakken
Les9
hart
hard
Les9
weich (auch : leise)
zacht
Les9
jeder
iedereen
Les9
Kaffee machen
koffie zetten
Les10
der Krankenwagen
de ambulancewagen
Les10
der Fahrer
de chauffeur
Les10
die Verletzung
de verwonding
Les10
die Schnellstraße
de autostraat
Les10
der Lastwagen
de vrachtauto
Les10
der Tankwagen
de tankwagen
Les10
der Fußgänger
de voetganger
Les10
der Auffahrunfall
de aanrijding
Les10
die Autobahn
de autosnelweg
Les10
verschiedene Nachrichten
de gemengde berichten
Les10
der Traktor
de tractor
Les10
der Aufprall
de botsing
Les10
der Lastwagen
de wegreus
Les10
die Ausfahrt
de uitrit
Les10
die Firma
de firma
Les10
der Anhänger
de aanhanger
Les10
der Verwundete
de gewonde
Les10
die Polizei
de politie
Les10
die Landstraße
de straatweg
Les10
die Leitplanke
de wegomheining
Les10
der Unfall
het ongeval
Les10
die Kreuzung
het kruispunt
Les10
die Ampel
het verkeerslicht
Les10
das Geräusch
het geluid
Les10
der Augenblick
het ogenblik
Les10
das Blech
het blik
Les10
das Krankenhaus
het ziekenhuis
Les10
der Kopf
het hoofd
Les10
anhalten, stoppen
stoppen
Les10
passieren, geschehen
gebeuren
Les10
wechseln
wisselen
Les10
anfahren, auffahren
botsen
Les10
vermuten
vermoeden
Les10
probieren
proberen
Les10
treffen
raken
Les10
verletzt werden
gewond raken
Les10
führen, steuern
besturen
Les10
dazugehören
toebehoren
Les10
stattfinden
plaats hebben
Les10
vernichten
vernielen
Les10
umkippen
kantelen
Les10
geraten
terechtkomen
Les10
telefonieren
telefoneren
bellen
Les10
überqueren, umsteigen
overstappen
Les10
zurückkehren
terugkeren
Les10
ungefähr
omstreeks
Les10
als
toen
Les10
auf der Stelle
ter plekke
Les10
einige
enige
enkele
Les10
unerwartet
onverhoeds
Les10
schlimm
erg
Les10
verletzt
gewond
Les10
tot
dood
Les10
leicht
licht
Les10
schwer
zwaar
Les11
der Frisör
de kapper
Les11
der Bäcker
de bakker
Les11
der Metzger
de slager
Les11
das Geschäft
de winkel
Les11
das Kotelett
de kotelet
Les11
der Kuchen
de koek
het koekje = das Plätzchen
Les11
das Gemüse
de groente
meervoud: de groenten
Les11
der Salat
de sla
geen meervoud
Les11
das Haar
het haar
Les11
der Supermarkt
het grootwarenhuis
de supermarkt
Les11
das Kilo
de kilo
meervoud = de kilo's
Les11
die Margarine
de margarine
Les11
der Rosenkohl
de spruitjes
Les11
der Blumenkohl
de bloemkool
Les11
das Buchgeschäft
de boekhandel
Les11
der Fisch
de vis
Les11
schneiden
knippen
snijden
Les11
aufgeben
opgeven
Les11
fragen
vragen
Les11
wissen
weten
Les11
beschließen
besluiten
Les11
mitbringen
meebrengen
Les11
einkaufen
boodschappen doen
Les11
nur
enkel
Les11
nächste
volgend(e)
tegendeel: vorig
Les11
vorige
vorig(e)
tegendeel: volgend
Les11
wichtig
belangrijk
Les11
nötig
nodig
tegendeel: onnodig
Les11
unnütz, nicht nötig
onnodig
tegendeel: nodig
Les11
böse
boos
kwaad
Les11
gestern
gisteren
Les11
außerdem
bovendien
Les11
nämlich
namelijk
Les11
zu Hause
thuis
Les11
hier
hier
Les11
danach
daarna
Les12
die Hausfrau
de huisvrouw
Les12
der Milchwagen
de melkwagen
Les12
der Acker
de akker
Les12
der Angestellte
de bediende
Les12
der Chef
de chef
de baas
Les12
die Nachbarin
de buurvrouw
mannelijk: de buurman
Les12
der Stall
de stal
Les12
der Hafer
de haver
Les12
die Pause
de pauze
Les12
wo - wahr
waar
Les12
das Gedicht
het gedicht
Les12
der Wald
het bos
Les12
das Tier
het dier
Les12
der Milchkübel
het melkvat
Les12
das Feld
het veld
Les12
das Büro
het kantoor
Les12
das Prospekt
het prospectus
Les12
einladen
uitnodigen
Les12
erklären
verklaren
uitleggen
Les12
spielen
spelen
Les12
marschieren
marcheren
Les12
baden
baden
Les12
füttern
voeren
Les12
beantworten
beantwoorden
Les12
warten
wachten
Les12
spülen
spoelen
afwassen (messen, vorken etc.)
Les12
säen
zaaien
Les12
eggen
eggen
Les12
bemisten
bemesten
Les12
melken
melken
Les12
ausmisten
mesten
Les12
besichtigen
bezichtigen
Les12
heute Morgen
vanmorgen
Les12
heute Mittag
vanmiddag
Les12
heute Abend
vanavond
Les12
erstens
ten eerste
Les12
manch/e/r/s
sommig(e)
Les12
kosten (probieren)
proeven
Les12
rennen
rennen