3.9
Les13 der Student de student Les13 der Tourist de toerist Les13 der Zug de trein Les13 der Koffer de koffer Les13 das Kino de bioscoop Les13 die Prüfung het examen Les13 die Wirtschaft het café Les13 das Flugzeug het vliegtuig Les13 der Arbeiter de arbeider Les13 mauern metselen Les13 landen landen Les13 sonnen zonnen Les13 jäten wieden Les13 wiederholen, nachschauen herzien Les13 auspacken uitpakken Les13 pensionieren pensioneren Les13 besprühen besproeien Les13 drankommen aan de beurt komen Les13 wohl wel Les13 zufrieden tevreden Les13 der Western de western Les13 das Fernsehen de televisie Les13 der Bau de bouw Les1 die Klasse de klas Les1 der Tisch de tafel Les1 der Stuhl de stoel Les1 die Bank de bank Les1 die Tür de deur Les1 die Federmappe de koker Les1 der Füller de vulpen Les1 der Kugelschreiber de balpen Les1 der Lehrer de leraar Les1 die Lehrerin de lerares Les1 der Schüler de leerling Les1 der Junge de jongen Les1 die Schultasche de boekentas Les1 der Radiergummi de gom Les1 die Tafel het bord Les1 das Fenster het raam Les1 das Buch het boek Les1 das Heft het schrift Les1 der Bleistift het potlood Les1 der Farbstift het kleurpotlood Les1 das Mädchen het meisje Les1 und en Les1 oder of Les1 auch ook Les1 ein, eine een Les1 dieser, diese, dieses dit nur für HET-Wörter im Sg. (nah) Les1 jene, jener, jenes dat nur für HET-Wörter im Sg. (fern) Les1 diese, dieser, dieses deze nur für DE-Wörter (nah) oder Mehrzahl Les1 jene, jener, jenes die nur für DE-Wörter (fern) oder Mehrzahl Les1 jede, (-r), (-s) iedere vor einem HET-Wort ohne -e Les1 was? wat? Les1 wer? wie? Les1 wie viel? hoeveel? Les1 in in Les1 auf op Les1 sein zijn ik ben, je bent (ben je?), hij/ze is, we zijn, jullie zijn, ze zijn, u bent Les1 haben hebben ik heb, je hebt (heb je?), hij/ze heeft, we hebben, jullie hebben, ze hebben, u hebt Les1 früh vroeg Les1 spät laat Les1 erst eerst Les1 nun, jetzt nu Les1 danach daarna Les1 Herr meneer Les1 Frau mevrouw Les1 Fräulein juffrouw Les1 ... Uhr ... uur Les1 ja ja Les1 nein neen Les1 Recht haben gelijk hebben Les1 ein bisschen een beetje Les1 Deutsch Duits Sprachen schreibt man im Niederl. gross. Les1 Niederländisch Nederlands Les1 Französisch Frans Les1 Englisch Engels Les1 guten Tag goeie dag Les1 bis gleich, bis später tot straks Les1 auf Wiedersehen tot ziens Les1 eins één Les1 zwei twee Les1 drei drie Les1 vier vier Les1 fünf vijf Les1 sechs zes Les1 sieben zeven Les1 acht acht Les1 neun negen Les1 zehn tien Les 2 die Schule de school Les 2 der Nachbar de buur(man) Les 2 die Nachbarin de buurvrouw Les 2 die Wand de wand Les 2 das Fahrrad de fiets ! Artikel = de Les 2 das Moped de bromfiets Les 2 andere andere Les 2 der Bus de bus Les 2 das Auto de auto ! Artikel = de Les 2 der Fuß de voet zu Fuss : te voet Les 2 sitzen zitten Les 2 tun doen Les 2 schreiben schrijven Les 2 rechnen rekenen Les 2 zuhören luisteren naar Les 2 unterrichten onderwijzen Les 2 hängen hangen Les 2 liegen liggen Les 2 lesen lezen Les 2 schauen kijken Les 2 träumen dromen Les 2 sprechen spreken praten (erzählen) Les 2 stehen staan Les 2 fahren (auf der Straße) rijden Les 2 kommen komen im Sg. ist das -o kurz, im Pl. ist das -o lang Les 2 nach naar Les 2 durch door Les 2 mit met Les 2 bei bij Les 2 an aan Les 2 von van Les 2 per, mit per mit dem Bus : per bus Les 2 zu... te zu Fuß : te voet; zu viel : te veel Les 2 nicht niet Les 2 kein, keine, keiner geen (unveränderlich) Les 2 alle alle alle (Leute) = allen Les 2 viel veel Les 2 aber, sondern maar Les 2 noch nog Les 2 wie? hoe? Les 2 wo? waar? Les 2 wohin? waar naartoe? waarheen? Les 2 schon reeds al Les 2 die Mutter de moeder Les 2 hier hier Les 2 vor, für voor Les 2 die Sprache de taal Les 2 immer altijd Les 2 nie nooit Les 2 gut goed Les 2 schlecht slecht Les 2 die Note het cijfer Les 2 nur, allein alleen Les 2 Mathematik wiskunde Les 2 klappen kloppen lukken Les 2 wohl wel Les 2 hoffen hopen Les 2 bevor voordat Les 2 die Hausaufgaben het huiswerk bleibt im Niederl. im Singular Les 2 machen maken Les 2 schnell vlug snel Les 2 langsam langzaam Les 2 einige enkele sommige einige (Leute) = sommigen Les 2 Einkäufe machen boodschappen doen Les 2 fein fijn Les 2 dann dan Les 2 schwimmen zwemmen Les 2 müssen moeten Les 2 gehen gaan Les 2 zu, zum, zur naar Les 2 der Bäcker de bakker Les 2 der Metzger de slager Les 2 um om Les 2 wieder weer Les 2 in Ordnung in orde Les 2 zu Hause thuis Les3 das Haus het huis Les3 das Erdgeschoss de benedenverdieping Les3 der Heizungskeller de verwarmingskelder Les3 die Lebensmittel de levensmiddelen Les3 der Abstellraum de bergruimte de berging Les3 das Stockwerk, die Etage de verdieping Les3 das Schlafzimmer de slaapkamer Les3 das Arbeitszimmer de werkkamer Les3 das Badezimmer de badkamer Les3 der Gemüsegarten de moestuin Les3 das Gemüse de groenten Les3 die Garage de garage Les3 der Strauch de struik Les3 der Keller de kelder Les3 der Speicher de zolder Les3 das Zimmer de kamer Les3 der Salon de salon Les3 die Küche de keuken Les3 der Garten de tuin Les3 die Blume de bloem Les3 der Baum de boom Les3 die Toilette de W.C. Les3 der/das Teil het deel Les3 der Rasen het gazon Les3 unterschiedlich, verschieden verschillend Les3 groß groot Les3 klein klein Les3 geräumig ruim Les3 eng nauw Les3 schön mooi Les3 hässlich lelijk Les3 weiß wit Les3 schwarz zwart Les3 gelb geel Les3 rot rood Les3 lila paars Les3 blau blauw Les3 orange oranje Les3 grün groen Les3 braun bruin Les3 sehr heel Adverb=unveränderlich, z.B. Hij is een heel grote jongen Les3 ganz heel Adjektiv=veränderlich, z.B. de hele familie Les3 aus uit Les3 sehen zien Les3 bestehen bestaan Les3 aufbewahren bewaren Les3 dienen dienen Les3 wozu? waartoe? Les3 gut - besser - am besten goed - beter - het best Les3 das Bett het bed Les3 oben boven Les3 unten beneden Les3 wohl wel Les3 angenehm aangenaam Les3 unangenehm onaangenaam Les3 der Tag de dag de dag hat im Pl. ein langes -a (de dagen) Les3 werden (nicht zukunftsweisend) worden Les3 wie (Vergleich) als z.B. Ik word bediend als een koning. Les3 bedienen bedienen Les3 der König de koning Les3 die Königin de koningin Les3 die Karte de kaart Les3 karten kaart spelen Les3 wollen willen Les3 die Zeit de tijd Les3 genug genoeg Les3 so zo Les4 der Tag de dag (Sg.: kurzes -a) - de dagen (Pl. : langes -a) die Wochentage schreibt man klein Les4 Montag maandag Les4 Dienstag dinsdag Les4 Mittwoch woensdag Les4 Donnerstag donderdag Les4 Freitag vrijdag Les4 Samstag zaterdag Les4 Sonntag zondag Les4 die Woche de week Les4 der Monat de maand Monate schreibt man klein Les4 Januar januari Les4 Februar februari Les4 März maart Les4 April april Les4 Mai mei Les4 Juni juni Les4 Juli juli Les4 August augustus Les4 September september Les4 Oktober oktober Les4 November november Les4 Dezember december Les4 das Jahr het jaar Les4 das Schaltjahr het schrikkeljaar Les4 die Plagerei, die Schufterei de plagerij Les4 die Ferien de vakantie im Niederl. ist dieses Wort Sg., z.B. de vakantie IS te kort Les4 die Kirche de kerk Les4 die Weihnachtsferien de kerstvakantie Les4 die Osterferien de paasvakantie Les4 der Schnee de sneeuw Les4 die Chance de kans Les4 die Sache de zaak Les4 der Freund de vriend Les4 die Freundin de vriendin Les4 die Klingel de bel Les4 die Misere, das Elend de misere Les4 die Sorge de zorg Les4 das Zeugnis het schoolrapport Les4 das Glückskind het gelukskind Les4 das Ziel het doel Les4 in Urlaub fahren met vakantie gaan Les4 beginnen, anfangen beginnen Les4 werden (Hilfsverb der Zukunft) zullen Les4 bekommen krijgen Les4 nennen noemen Les4 geben geven Les4 Ski fahren skiën Les4 bezahlen betalen Les4 reisen reizen Les4 lassen laten Les4 vorbei-, vorübergehen voorbijgaan Les4 erreichen bereiken Les4 blocken (ugs.) blokken Les4 studieren studeren Les4 gönnen gunnen Les4 anfassen aanpakken Les4 schlimm erg Les4 echt echt Les4 sicher zeker Les4 gern graag Les4 heute vandaag Les4 doch toch Les4 während gedurende Les4 sonst anders Les4 vor allem vooral Les4 wenn als Les4 denn want danach bleibt das konj. Verb an 2. Stelle, z.B. ik ga niet naar huis, want ik werk nog Les4 weil omdat danach wird das konj. Verb nach hinten geschoben, z.B. ik ga niet naar huis, omat ik nog werk Les4 Pfingsten Pinksteren Les4 Christi Himmelfahrt Hemelvaartsdag Les4 Allerheiligen Allerheiligen Les4 Allerseelen Allerzielen Les4 Weihnachten Kerstmis Les4 Karneval carnaval Les4 Ostern Pasen Les4 das Fest het feest Les4 der Festtag de feestdag Les4 die Schweiz Zwitserland Länder schreibt man gross. Les4 England Engeland Länder schreibt man gross. Les4 kurz kort Les4 lang lang Les4 frei vrij Les4 los geht's! vooruit maar! Les4 hoffentlich het is te hopen, dat... hopelijk Les4 die Frage de vraag Les4 stellen stellen Les4 fragen vragen Les4 antworten antwoorden Les4 die Farbe de kleur Les4 das Gegenteil het tegendeel Les4 der Unterschied het verschil Les4 der Gegenstand het voorwerp Les4 das Wort het woord Les4 der Satz de zin Les4 das Büro het kantoor Les4 das Blatt (Papier) het blad - de bladen Les4 das Blatt (vom Baum) het blad - de bladeren Les4 dauern duren Les4 vervollständigen voltooien Les4 ersetzen vervangen Les4 arbeiten werken Les4 zeigen tonen Les4 richtig juist Les4 falsch fout, vals Les4 wann? wanneer? Les4 welche, welcher, welches? welke? vor einem HET-Wort fällt das -e weg, z.B. Welk huis heeft een gele deur? Les5 die (Groß-)familie de familie Les5 die Familie het gezin Les5 die Anzeige de advertentie Les5 der Bauernhof de boerderij Les5 die Zeitung de krant Les5 die Eltern de ouders Les5 der Vater de vader Les5 die Mutter de moeder Les5 der Bruder de broer Les5 die Schwester de zus zuster = Nonne Les5 die Geschwister de broers en zussen Les5 das Kind het kind Pl. : de kinderen Les5 die Großeltern de grootouders Les5 der Onkel de oom Les5 die Tante de tante Les5 die Kusine, die Nichte de nicht Les5 der Vetter, der Neffe de neef Les5 die Kuh de koe unregelm. Pl. : de koeien Les5 das Kalb het kalf Pl. : de kalveren Les5 das Rind het rund Pl. : de runderen Les5 der Gruß de groet Les5 der Landwirt de boer Les5 der Brief de brief Les5 suchen zoeken Les5 setzen, stellen plaatsen Les5 erhalten ontvangen Les5 verbleiben verblijven Les5 besitzen bezitten Les5 hören horen Les5 heißen heten Les5 wohnen wonen Les5 lernen leren Les5 helfen helpen Les5 neu nieuw Les5 alt oud Les5 jung jong Les5 sprechend sprekend Les5 herzlich hartelijk Les5 ziemlich tamelijk Les5 in Kürze binnenkort Les5 eines Tages op een dag Les5 manchmal soms Les5 schon al reeds Les5 die Neuigkeit(en) het nieuws bleibt im Niederl. im Singular, z.B. het nieuws is heel goed Les6 das Handtuch de handdoek ! Artikel de Les6 die Hose de broek Les6 die Unterhose de onderbroek Les6 der Pullover de pullover de pul, de trui Les6 die Bushaltestelle de bushalte Les6 der Pyjama de pyjama Les6 der Unterricht, das Kapitel de les Les6 die Socke de sok Les6 der Zahn de tand Les6 die Seife de zeep Les6 der Wecker de wekker Les6 der Körper het lichaam Les6 der Oberkörper het bovenlichaam Les6 das Waschbecken het wasbekken Les6 das Hemd het hemd Les6 das Unterhemd het onderhemd Les6 der Schuh de schoen Les6 der Stiefel de laars Ausnahme : de laarZen Les6 das Kleid de jurk de japon Les6 der Rock de rok Les6 der Mantel de mantel Les6 die Bluse de bloes de blouse Les6 die Jacke de jas Les6 die Stunde het uur Les6 das Viertel, die Viertelstunde het kwartier Les6 der Morgen de morgen Les6 der Mittag de middag Les6 der Nachmittag de namiddag Les6 der Abend de avond Les6 die Nacht de nacht Les6 morgens 's morgens das Apostroph steht vor dem -s! Am Anfang des Satzes bleibt dieses -s klein! Les6 mittags 's middags Les6 nachmittags 's namiddags Les6 abends 's avonds Les6 nachts 's nachts Les6 aufstehen opstaan setzt man "het" voor ein Verb, entsteht ein Subst. (genau wie im Deutschen) Les6 rasseln, schellen (Wecker) aflopen Les6 dürfen mogen Les6 können kunnen Les6 anziehen (etwas) aantrekken z.B. Ik trek mijn schoenen aan. Les6 ausziehen (etwas) uittrekken z.B. Hij trekt zijn pul uit. Les6 (sich) anziehen (zich) aankleden Les6 (sich) ausziehen (zich) uitkleden Les6 ab-, los-, wegfahren vertrekken Les6 frühstücken ontbijten Les6 putzen poetsen Les6 abtrocknen afdrogen Les6 sich duschen douchen ohne Pronomen! Les6 waschen wassen Les6 leise zacht Les6 laut luid Les6 kalt koud Les6 warm warm Les6 wach wakker Les6 endlich eindelijk Les6 plötzlich plots Les6 einmal eens Les6 etwas (im Sinne von "ein bisschen") wat een beetje Les6 etwas iets Les6 halb (z.B. drei) half (b.v. drie) Les6 viertel (z.B. vor elf) kwart (b.v. voor elf) Les7 der Fluss de rivier Les7 der Ausflug de tocht Les7 der Markt de markt Les7 das Boot de boot Les7 der Kanal de gracht Les7 die Wohnung de woning Les7 die Tradition de traditie Les7 der Käse de kaas Les7 die Sehenswürdigkeit de bezienswaardigheid Wörter mit der Endung -heid bilden ihren Plural auf -heden Les7 der Fischer de visser Les7 die Stadt de stad Plural : de steden Les7 der Mensch de mens Les7 die Kleidung de kleren bleibt im Niederl. im Pl. Les7 die Welt de wereld Les7 der Spaziergang de wandeling Les7 der Haushalt de huishouding Les7 der Bahnhof het station Les7 das Museum het museum Wörter mit der Endung -um bilden ihren Pl. auf -a Les7 das Gespräch het gesprek Les7 der Norden het noorden Les7 der Süden het zuiden Les7 der Westen het westen Les7 der Osten het oosten Les7 das Zentrum het centrum Wörter mit der Endung -um bilden ihren Pl. auf -a Les7 das Dorf het dorp Les7 laufen, fließen lopen Les7 fegen, kehren vegen Les7 kochen koken Les7 fahren (auf dem Wasser) varen Les7 kennen kennen Les7 bleiben blijven Les7 tragen dragen Les7 das Bett machen het bed opmaken Les7 abwaschen, spülen afwassen Les7 besuchen bezoeken Les7 spazieren wandelen Les7 sich langweilen zich vervelen Les7 einkaufen winkelen Les7 treffen ontmoeten Les7 interessieren interesseren Les7 oft dikwijls Les7 selten zelden Les7 alles alles Les7 nichts niets Les7 traditionell traditioneel Les7 modern modern Les7 malerisch schilderachtig Les7 meistens meestal Les7 gerade pas Les7 einfach, gemütlich gemakkelijk Les7 schwierig moeilijk Les7 der Vogel de vogel Les7 die Wolke de wolk Les7 die Ente de eend Les7 der Stamm de stam Les7 der Zaun de omheining Les7 der Ball de bal Les7 der Fisch de vis Les7 der Hut de hoed Les7 der Kopf het hoofd Les7 das Gesicht het gezicht Les7 der See, der Teich het meer Les7 das Meer de zee Les7 fliegen vliegen Les7 sagen zeggen Les7 rufen roepen Les7 erzählen vertellen Les8 die Gegend de streek Les8 die Kunst de kunst Les8 die Zivilisation de beschaving Les8 die Geschichte de geschiedenis Les8 die Reise de reis Les8 das klassische Altertum de klassieke oudheid Les8 das Land het land Les8 die Vergangenheit het verleden Les8 die Landschaft het landschap Les8 der Strand het strand Les8 der eine - der andere de ene - de andere Les8 darstellen vertegenwoordigen Les8 mögen, lieben houden van Les8 finden vinden Les8 entspannen ontspannen Les8 probieren, versuchen proberen Les8 wünschen wensen Les8 reden, sprechen praten spreken Les8 interessant interessant Les8 reich rijk Les8 arm arm Les8 faul lui Les8 fleißig ijverig Les8 müde moe Les8 weit ver Les8 nah na Les8 zum Beispiel bijvoorbeeld (b.v.) Les8 Spanien Spanje Länder schreibt man groß. Les8 Griechenland Griekenland Länder schreibt man groß. Les8 Italien Italië Länder schreibt man groß. Les8 auf Wiedersehen tot ziens Les8 bis jetzt tot nu toe Les8 so wie zoals Les9 die Tasse de kop Les9 die Gabel de vork Les9 die Dose de doos Les9 das Butterbrot de boterham Les9 die Schnitte de snede Les9 der Kaffee de koffie Les9 die Scheibe de schijf Les9 der Löffel de lepel Les9 das Brett de plank Les9 die Butter de boter Les9 der Zucker de suiker Les9 die Milch de melk Les9 die Marmelade de jam Les9 der Topf de pot Les9 die Kanne de kan Les9 die Wurst de worst Les9 die Schale (im Sinne von Schüssel) de schaal Les9 das Ei het ei Les9 der Speck het spek Les9 der Teller het bord Les9 das Messer het mes Les9 die Mitte het midden Les9 das Brot het brood Les9 hineinkommen, -gehen, -laufen binnenkomen, binnengaan, binnenlopen = trennbar und wird ohne Präp. gebraucht, z.B. Hij komt de salon BINNEN. Les9 decken dekken Les9 braten, backen bakken Les9 vorbereiten klaarmaken Les9 trinken drinken Les9 schmieren smeren Les9 essen eten Les9 gebraten, gebacken gebakken Les9 hart hard Les9 weich (auch : leise) zacht Les9 jeder iedereen Les9 Kaffee machen koffie zetten Les10 der Krankenwagen de ambulancewagen Les10 der Fahrer de chauffeur Les10 die Verletzung de verwonding Les10 die Schnellstraße de autostraat Les10 der Lastwagen de vrachtauto Les10 der Tankwagen de tankwagen Les10 der Fußgänger de voetganger Les10 der Auffahrunfall de aanrijding Les10 die Autobahn de autosnelweg Les10 verschiedene Nachrichten de gemengde berichten Les10 der Traktor de tractor Les10 der Aufprall de botsing Les10 der Lastwagen de wegreus Les10 die Ausfahrt de uitrit Les10 die Firma de firma Les10 der Anhänger de aanhanger Les10 der Verwundete de gewonde Les10 die Polizei de politie Les10 die Landstraße de straatweg Les10 die Leitplanke de wegomheining Les10 der Unfall het ongeval Les10 die Kreuzung het kruispunt Les10 die Ampel het verkeerslicht Les10 das Geräusch het geluid Les10 der Augenblick het ogenblik Les10 das Blech het blik Les10 das Krankenhaus het ziekenhuis Les10 der Kopf het hoofd Les10 anhalten, stoppen stoppen Les10 passieren, geschehen gebeuren Les10 wechseln wisselen Les10 anfahren, auffahren botsen Les10 vermuten vermoeden Les10 probieren proberen Les10 treffen raken Les10 verletzt werden gewond raken Les10 führen, steuern besturen Les10 dazugehören toebehoren Les10 stattfinden plaats hebben Les10 vernichten vernielen Les10 umkippen kantelen Les10 geraten terechtkomen Les10 telefonieren telefoneren bellen Les10 überqueren, umsteigen overstappen Les10 zurückkehren terugkeren Les10 ungefähr omstreeks Les10 als toen Les10 auf der Stelle ter plekke Les10 einige enige enkele Les10 unerwartet onverhoeds Les10 schlimm erg Les10 verletzt gewond Les10 tot dood Les10 leicht licht Les10 schwer zwaar Les11 der Frisör de kapper Les11 der Bäcker de bakker Les11 der Metzger de slager Les11 das Geschäft de winkel Les11 das Kotelett de kotelet Les11 der Kuchen de koek het koekje = das Plätzchen Les11 das Gemüse de groente meervoud: de groenten Les11 der Salat de sla geen meervoud Les11 das Haar het haar Les11 der Supermarkt het grootwarenhuis de supermarkt Les11 das Kilo de kilo meervoud = de kilo's Les11 die Margarine de margarine Les11 der Rosenkohl de spruitjes Les11 der Blumenkohl de bloemkool Les11 das Buchgeschäft de boekhandel Les11 der Fisch de vis Les11 schneiden knippen snijden Les11 aufgeben opgeven Les11 fragen vragen Les11 wissen weten Les11 beschließen besluiten Les11 mitbringen meebrengen Les11 einkaufen boodschappen doen Les11 nur enkel Les11 nächste volgend(e) tegendeel: vorig Les11 vorige vorig(e) tegendeel: volgend Les11 wichtig belangrijk Les11 nötig nodig tegendeel: onnodig Les11 unnütz, nicht nötig onnodig tegendeel: nodig Les11 böse boos kwaad Les11 gestern gisteren Les11 außerdem bovendien Les11 nämlich namelijk Les11 zu Hause thuis Les11 hier hier Les11 danach daarna Les12 die Hausfrau de huisvrouw Les12 der Milchwagen de melkwagen Les12 der Acker de akker Les12 der Angestellte de bediende Les12 der Chef de chef de baas Les12 die Nachbarin de buurvrouw mannelijk: de buurman Les12 der Stall de stal Les12 der Hafer de haver Les12 die Pause de pauze Les12 wo - wahr waar Les12 das Gedicht het gedicht Les12 der Wald het bos Les12 das Tier het dier Les12 der Milchkübel het melkvat Les12 das Feld het veld Les12 das Büro het kantoor Les12 das Prospekt het prospectus Les12 einladen uitnodigen Les12 erklären verklaren uitleggen Les12 spielen spelen Les12 marschieren marcheren Les12 baden baden Les12 füttern voeren Les12 beantworten beantwoorden Les12 warten wachten Les12 spülen spoelen afwassen (messen, vorken etc.) Les12 säen zaaien Les12 eggen eggen Les12 bemisten bemesten Les12 melken melken Les12 ausmisten mesten Les12 besichtigen bezichtigen Les12 heute Morgen vanmorgen Les12 heute Mittag vanmiddag Les12 heute Abend vanavond Les12 erstens ten eerste Les12 manch/e/r/s sommig(e) Les12 kosten (probieren) proeven Les12 rennen rennen